De vis wordt duur betaald

07 NZkanboekCMYK.jpg

Het koekoeksjong. Zo wordt IJmuiden in de volksmond al gauw genoemd. Dan zal het Noordzeekanaal wel de koekoek zijn, die heel brutaal haar ei in het luxe nest van het dorp Velsen heeft gelegd. Nu legt die luie koekoek haar eieren dikwijls in nesten van vooral kleinere vogels en zoals het dan gaat: het ei komt uit en de vreemde vogel groeit heel wat sneller dan de jongen die daar wél thuishoren.

Zo vergaat het ook IJmuiden. Al in de eerste decennia groeit dat uit tot veel meer een echt stadje dan Velsen ooit geweest is. En dan opeens is het zover: het koekoeksjong wil op eigen benen staan.

De roep om een zelfstandig IJmuiden zal wel aan de stamtafel van een goed beklant café zijn ontstaan. Zo rond 1907 vat die gedachte meer en meer post. Immers, Velsen laat zich nog steeds weinig gelegen liggen aan die vreemde vogel in haar nest en koestert vooral de hoop dat ze zo snel mogelijk uitvliegt. In de brochure van mr. A.J.E.A. Bik, die bij het zilveren jubileum van IJmuiden werd uitgegeven, staan daarvan onomwonden voorbeelden, zoals: ,,Onderhandelingen met het gemeentebestuur, in de loop van het jaar 1877, omtrent bestrating en overdracht van straten en pleinen, leidde tot geen resultaat.’’ Hoewel de bestuurders in Velsen in 1907 zo langzamerhand wel begrijpen dat IJmuiden niet meer van de kaart te gummen is, kan de snelgroeiende vissersplaats nog steeds niet rekenen op hun overmatige belangstelling. Meer dan plichtmatig is de gemeentelijke bejegening niet. Vandaar dat de roep om afscheiding in IJmuiden steeds luider opklinkt.

Ook de journalistieke neus van J.C. Peereboom, directeur van Haarlem's Dagblad, krijgt er de lucht van en hij wakkert het vuur voor een zelfstandig IJmuiden danig aan. Tweemaal - in de kranten van 28 februari en 1 maart 1907 - wijdt hij in zijn vaste hoofdredactionele rubriek 'Om ons heen' een 'revolutionair' artikel aan die zucht naar afscheiding.

IJmuiden telt in dat jaar meer dan 7.500 inwoners, terwijl Velsen er slechts 900 heeft. Peereboom stelt dan ook: ,,De plaats waaraan de heele gemeente haar naam ontleent, is dus de kleinste van alle, Santpoort heeft met Jan Gijzenvaart het zielental van een behoorlijk dorp en IJmuiden telt meer inwoners, dan menige plaats in Nederland, waarvan wij in onze jeugd hebben geleerd, dat zij onder de steden behoort.’’

In zijn tweede artikel schrijft Peereboom: ,, (...) de visscherij is er nog pas in haar begin en wanneer de haringvisscherij doorbreekt, zal de plaats nog veel grooter vlucht nemen. Waar vindt men, zooals hier, een haven bij een haven?’’ En dan komt de aap uit de mouw: ,,Maar wanneer dat juist is, dan moet IJmuiden los van aanhangsels, die er niet bij behooren, en zich vormen tot een onafhankelijke gemeente. Misschien vallen dan zelfs de meerdere kosten wel mee, want naar mate de zaken grooter worden, gevoelen de directeuren of eigenaars meer de noodzakelijkheid om in IJmuiden te komen wonen. Die richting gaat het nu al uit. En wanneer door de zelfstandigheid nieuwe bloei aan de gemeente IJmuiden kan worden gegeven, zinken immers de enkele rijksdaalders belasting meer tegenover de voordeelen, die er verkregen worden, in het niet!’’

Die opvatting liegt er niet om. Inmiddels is er ook een 'Commissie tot onderzoek in hoeverre het wenschelijk is, dat IJmuiden eene zelfstandige gemeente worde' ingesteld. Allemaal IJmuidenaren zitten erin, waarvan A.M. Roggeband voorzitter is. Maar in september 1907 komt zij tot de slotsom dat IJmuiden om financiële en belastingtechnische redenen toch beter kan blijven wat zij is: een deel van de gemeente Velsen. Dat is een beetje een streep door de rekening van Velsen, dat grootmoedig wil meewerken aan de afscheiding. Het dorp is dat lastige stadje verderop eigenlijk liever kwijt dan rijk. Maar het koekoeksjong blijft en het groeit groter en groter.
Wat Peereboom voorspelt gebeurt: de haringvangst geeft het vissersbestaan inderdaad een forse opsteker. Steeds meer rederijen vestigen zich in IJmuiden en het is een rijk en machtig gezicht als soms de vrijwel complete vissersvloot in de thuishaven ligt.

07 NZklein.jpg

Rijk en machtig ja, maar soms blijft die vloot daar veel te lang compleet liggen en dan is de reden heel wat minder feestelijk. Dan gaat het namelijk om een conflict tussen reders en zeelieden en dat betekent staking. De IJmuidense arbeider laat niet met zich sollen, die komt op voor zijn belangen. Hoe dat moet, leren ze van de nieuwe import: stokers, donkeymannen en ander machinekamerpersoneel. Ze komen van de grote vaart, uit Rotterdam, Amsterdam, naar IJmuiden omdat daar door de snelle groei van de stoomtrawlervloot steeds meer gebrek aan personeel is. Zij leren hun IJmuidense collega's dat je je als arbeider moet organiseren. Zelf zitten ze bijna allemaal bij de Algemene Zeelieden Bond en lang duurt het niet of IJmuiden heeft z'n eigen afdeling daarvan.
De eerste strubbelingen doen zich voor in 1909. Die worden al snel bijgelegd, maar een jaar later breekt er opnieuw staking uit in de IJmuidense visserij. De strijd tussen reders en zeelui gaat over vrije voeding aan boord en vooral over de verdeling van het zogenoemde lever- en kuitgeld. Ook het machinepersoneel wil meedelen, immers zonder hen vaart het schip niet en als het schip niet vaart, wordt er ook niet gevist. Zo eenvoudig ligt dat. Na een langdurige staking, een jaar later, gaan de reders overstag en na veel geharrewar besluiten ze dat het lever- en kuitgeld voortaan onder alle opvarenden - dus ook degenen die benedendeks werken - zal worden verdeeld. Maar er zit een adder onder het gras: het machinepersoneel mag wel meedelen, maar moet dan ook aan dek helpen bij het strippen van de kabeljauw en schelvis om de lever en kuit te bergen. Steeds hebben ze aangevoerd dat zij met hun bezwete lichamen niet aan dek kunnen werken. Het maakt er de verhoudingen niet beter op. Niet zelden draaien de meningsverschillen aan boord uit op een robbertje vechten. Op dinsdag 10 oktober 1911, precies twee jaar na de eerste visserijstaking, barst de bom. Het machinepersoneel staakt onder leiding van machinist Hein van der Plaat. Veertig stoomtrawlers, die in de haven van IJmuiden klaar liggen om te gaan vissen, varen niet uit. Niemand is gelukkig met de situatie, het machinepersoneel niet, maar ook het dekpersoneel niet. Iedereen wil een eind aan de willekeur van uitbetalingen, die de afgelopen twee jaar is ontstaan. Daarom schaart ook het dekpersoneel zich volledig achter de nieuwe actie.

Eind september hebben de vissers en de machinisten de afdeling IJmuiden van de Algemeenen Nederlandschen Zeemansbond gevraagd de reders - elk afzonderlijk - te verzoeken in het vervolg ieder lid van het machinepersoneel van de rederij een bedrag uit te betalen. Dat bedrag moet gelijk staan met het aandeel van het verval, dat ieder van de opvarenden aan dek krijgt. Maar de reders zwijgen. Elf dagen later is aan het verzoek nog steeds geen gevolg gegeven en de machinisten grijpen hun kans als er op die tiende oktober veertig trawlers binnen liggen. Er wordt een vergadering uitgeschreven, die door de dorpsomroepers van IJmuiden en ook Egmond - waar veel zeelieden wonen - wordt rondgebazuind. Urenlang duurt die vergadering. Tenslotte is de meerderheid er voor niet uit te varen voordat hun verzoek is ingewilligd. Een deputatie van het machinepersoneel vraagt een onderhoud met de reders. Die horen de mannen zwijgend aan en direct beleggen ze zelf een spoedvergadering, die tot de avond duurt.

Het antwoord van de Reedersvereeniging klinkt aanvallend. Weliswaar beloven ze uiterlijk 17 oktober een antwoord te geven op de eisen van de visserijwerkers, maar ze stellen een stevige voorwaarde, namelijk: 'dat die schepen van de bij hare vereeniging aangesloten reederijen, welke hedenmorgen hadden moeten vertrekken, alsnog morgen, Woensdag 11 dezer, des voormiddags op den gewonen tijd, ter visscherij uitvaren, zullende anders het ontslag der opvarenden door haar beschouwd worden als te zijn ingegaan Maandag 9 oktober 1911'.

De reders voelen hun macht. Zeventien reders met in totaal 72 van de 112 stoomtrawlers zijn bij de Reedersvereeniging aangesloten. Eén grote rederij, de firma Wed. S.I. Groen, die twintig schepen in de vaart heeft, voldoet wél aan het verzoek van de stakers en samen met enkele kleinere rederijen, die weinig of niets met lever en kuit te maken hebben, zijn haar schepen gewoon naar de visgronden vertrokken.

Het lijkt erop dat de Reedersvereeniging de strijd gaat winnen, want de zeelieden besluiten hun demonstratieve staking 'te schorsen' en op woensdagochtend vertrekt de vissersvloot weer naar zee. Op 16 oktober geven de reders hun antwoord. Schippers en machinisten zullen niet meedelen in het lever- en kuitgeld. Onaanvaardbaar, roept de Zeeliedenbond en opnieuw wordt er niet uitgevaren, tweeëntwintig trawlers blijven aan de wal. Steeds grimmiger staan de partijen tegenover elkaar. De volgende dag delen de reders mee dat voortaan alleen de schippers worden uitgesloten en het lever- en kuitgeld onder alle andere negen opvarenden zal worden verdeeld.

En ze voegen daaraan toe: ,,Wij sluiten hiermede de correspondentie over deze aangelegenheid. Wanneer de te IJmuiden aanwezige trawlers, die gisteren hadden moeten vertrekken (...) heden, Woensdag 18 dezer niet op den gebruikelijken tijd zijn uitgevaren, zijn alle opvarenden als hierboven bedoeld ontslagen.’’ De maatregel geldt ook voor de opvarenden van alle binnenkomende trawlers, als die niet weer op de gebruikelijke tijd uitvaren.
Woedend reageert de bond. Met 170 tegen 7 stemmen wordt besloten niet op het nieuwe bod van de Reedervereeniging in te gaan en niet uit te varen voordat aan de eisen is voldaan. Uit solidariteit staken nu ook de bemanningen van schepen die niet op schelvis varen. Meer dan zeventig schepen liggen nu werkloos in de haven te wachten. In een uitvoerige brief aan de reders zet de Zeeliedenbond de moeilijkheden nog eens op een rij. De laconieke reactie van de reders luidt: ,,Waar wij d.d. 17 dezer schreven dat wij met dien brief de correspondentie met u sloten, spreekt het vanzelf, dat wij van uwen brief d.d. 18 dezer geen nota nemen.’’

Als een olievlek breidt de staking zich uit. In het kielzog van de reders ontslaat de Algemene Visscherijmaatschappij met ingang van 21 oktober 1911 het zolder- en magazijnpersoneel. De smeden en bankwerkers krijgen te horen dat hen per 28 oktober hetzelfde lot treft, als de situatie zo blijft. Ook de Maatschappij tot Beheer van Stoomtrawlers ontslaat haar medewerkers per 28 oktober. In IJmuiden heerst algehele malaise. In de gezinnen van de stakers is schraalhans keukenmeester. De IJmuidense winkeliers zijn eveneens de dupe: er worden wel boodschappen gedaan, maar voorlopig gaat alles op de lat.

Dan komen de reders met hun circulaire met speciale voorwaarden. De schippers mogen nu zelf hun bemanning aannemen, maar die moeten de circulaire tekenen. De reders zeggen dat ze er een opening mee willen forceren, maar ook dat ze de schippers meer gezag willen geven. Razend reageren de vissers. Immers, nu zijn ze volledig afhankelijk van de willekeur van een schipper. Het wordt een fiasco: niet één van de zeelieden, die bij de bond zijn aangesloten ondertekent die circulaire. Zowel op de vergadering van het dekpersoneel in Egmond als die van het machinepersoneel in IJmuiden, wordt met algemene stemmen besloten de strijd voort te zetten. De werkloosheid wordt al nijpender. Met afgedekte schoorstenen liggen de trawlers doods in de haven. Over en weer zijn er vergaderingen, zonder resultaat. Het water staat de stakers tot aan de lippen. Op 7 november gaan de zeelieden door de knieën voor de voorwaarden van de Reedersvereeniging. De staking wordt opgeheven en successievelijk vertrekken de stoomschepen weer naar de visserij. Een zucht van verlichting gaat door IJmuiden. De ellende is even voorbij. Elf jaar eerder liet de toneelschrijver Herman Heijermans de visservrouw Kniertje het al zeggen in zijn toneeldrama Op Hoop van Zegen: De vis wordt duur betaald...

Wie in de visserij werkt, weet dat er moet worden aangepakt. Vooral op zee is het een keihard bestaan. Als de elementen elkaar woest bestoken, vergt dat het uiterste van de mannen op de trawlers en de loggers. Geslapen wordt er dan nauwelijks en bij een uitgeputte bemanning is er altijd wel iemand aan boord die het te kwaad krijgt. Maar een drama zoals dat zich in september 1915 op zee voltrekt, is gelukkig een zeldzame uitzondering. Als de schipper van de Katwijkse logger De Hoop in IJmuiden terugkeert, vertelt hij een even vreemd als luguber verhaal. In volle zee was hij de logger Noordzee V ofwel de KW 171 tegengekomen. Enkele van de bemanningsleden van de logger waren korte tijd bij hem aan boord geweest. Ze hadden hem brieven overhandigd en gevraagd deze mee te nemen voor thuis. Ging de Noordzee V dan zelf niet op IJmuiden aan? Het antwoord deed de schipper versteld staan. De Katwijkse vissers zeiden: 'De Here God heeft Katwijk verwoest en van de aardbodem weggevaagd. In Katwijk zullen we niet meer komen, we zijn op weg naar Jerusalem, waar God uit de hemel is neergedaald.'
Eén van de mannen had zich wat nerveus op de achtergrond gehouden en toen z'n kameraden weer in de roeisloep klommen, klampte hij zich aan de schipper van De Hoop vast en smeekte hem zacht, maar indringend, alsjeblieft bij hem aan boord te mogen blijven. Maar de schipper kende z'n plicht en al gedroegen die vissers zich vreemd en spraken ze rare taal, toch zag hij geen echte noodzaak de man bij zich aan boord te houden. Hij stuurde hem terug naar zijn eigen schip en terwijl de sloep terug roeide riep hij de mannen na: ,,Ik zou maar gauw terug gaan naar Katwijk, want jullie zeggen maar rare dingen, 't is jullie compleet in de kop geslagen.’’ Toen de matrozen weer terug aan boord waren praaide de Noordzee opeens De Hoop. Arie Vlieland, één van de vissers op de Noordzee V, schreeuwde hem door de praaihoorn toe: ,,Kap je vleet af, weg met alle rotzooi! Denk aan Gods gerechtigheid, want je gaat naar de verdoemenis.’’

Gretig doet het vreemde verhaal de ronde in de zeemanskroegen. Ongelovig wordt er op gereageerd en soms kijken de mannen er bedenkelijk bij. Maar al gauw wordt heel wat over afgelachen. En de schipper van De Hoop post de brieven.

Het lachen verdwijnt snel als bekend wordt dat het Noorse vrachtschip Jonas Reid de vreemde Katwijkse logger op 12 september op zo'n 130 mijl uit de oostkust van Engeland in zwaar gehavende toestand heeft aangetroffen. De stoomboot voer er heen en de bemanning ontdekte dat er nog levenden aan boord waren. Toen de mannen aan boord van de logger de Noor zagen naderen, begonnen ze te roepen. De logger was nauwelijks meer dan een wrak. Zeilen, tuigage en luiken, kortom alles wat zich aan dek behoort te bevinden, was verdwenen. Op het achterdek waren plassen bloed te zien.

De Noorse kapitein vermoedde dat enkele vissers door drankmisbruik waanzinnig waren geworden en slaags geraakt. Zo was er een algemeen gevecht ontstaan, waarbij drie mannen werden vermoord. Bij één van de drie was door een bijlslag het hoofd zo goed als van het lichaam gescheiden. De andere twee slachtoffers waren met messteken vreselijk verminkt.

Slechts één van de tien overlevenden van de Noordzee V gaat vrijwillig bij het Noorse schip aan boord; de anderen moeten met geweld worden overmeesterd. Met touwen geboeid zijn ze bij het vrachtschip aan boord gebracht. De Noorse kapitein heeft de onttakelde logger naar de Engelse visserplaats Grimsby gesleept en de krankzinnige bemanningsleden daar aan de politie overgeleverd. De mannen mogen niet van boord; ze worden zwaar bewaakt. De Engelse politie verklaart dat de bemanning van het wrak nog steeds 'in min of meer abnormale toestand verkeert'.

Als de mannen worden verhoord, komt de vreselijke toedracht pas goed aan het licht. Matroos Arie Vlieland heeft beweerd dat hij Christus is. Hij zou aan boord zijn overleden en na een half uur weer zijn opgestaan. Hij heeft met God gesproken. Deze droeg hem op het schip te zuiveren van de duivels aan boord. De godsdienstwaanzin slaat blijkbaar snel over, want twee andere matrozen zeggen dat zij een rode ster aan de hemel hebben gezien en dat zij een stem hoorden die hen opdroeg de nieuwe Christus bij te staan. Onder leiding van Arie Vlieland wordt er een 'duiveljacht' georganiseerd. Drie ongelukkige matrozen worden er van verdacht door de duivel te zijn bezeten. Op beestachtige wijze worden ze vermoord en onder godsvruchtig psalmgezang over boord gesmeten. Dan ontstaat er een krankzinnige razernij. Vlieland en zijn makkers grijpen een bijl en beginnen de wanten door te hakken.

Ongestaagd knappen de masten. Het geschreeuw en getier zwepen de gemoederen verder op. Alle voorwerpen waarin men duivels vermoedt, worden over boord gesmeten. Lampen, netten, tonnen met zout en zelfs de vaten met drinkwater gaan van boord. Daarna is het schip onbestuurbaar en een prooi voor de elementen. Stom geluk is het, dat ze voor de eerste storm door het Noorse vrachtschip worden ontdekt.

Als de schipper van de Katwijkse logger De Hoop in IJmuiden het absurde verhaal ter ore komt, dan hoort hij weer die krankzinnige stem door de praaihoorn brullen: ,,Kap je vleet af, weg met alle rotzooi! Denk aan Gods gerechtigheid, want je gaat naar de verdoemenis.’’

Bron: IJmuidercourant
Tekening: Fiel van der Veen
Tekst: Ko van Leeuwen