Het stadje aan zee krijgt z'n helden

06 NZkanboekCMYK.jpg

Het jonge IJmuiden, dat zojuist z'n zilveren jubileum heeft gevierd, snakt langzamerhand naar een eigen held. Zo'n held die je kunt inhalen en voor wie je een standbeeld kunt oprichten. Zoals met alles, laten de IJmuidenaren daar geen gras over groeien. Het is de beruchte Boerenoorlog in Transvaal die het Wild-West-achtige stadje aan zee op haar wenken bedient. Overal in ons land bestaat er een warme belangstelling voor die Boerenoorlog.

IJmuiden doet daar nog eens een schepje bovenop en ook Velsen is het daarmee eens: op 28 oktober 1899 houdt de afdeling Velsen van de Nederlandsche Zuid-Afrikaanse Vereeniging een grote geldinzameling ten bate van de Boeren. En op 9 november 1899 is er in IJmuiden, in de Gereformeerde kerk bij de Steenfabriek, een Openbare Bidstond voor Transvaal en Oranje Vrystaat, met een collecte voor 'de nagelaten betrekkingen der Boeren'. Televisie bestaat nog lang niet, maar toch kunnen de IJmuidenaren zien hoe het er in die Zuid-Afrikaanse oorlog aan toe gaat: op 25 januari 1900 is er in het Lokaal voor Christelijke Belangen een voorstelling van 'Tafereelen uit den Oorlog der Boeren met de Engelschen in Zuid-Afrika' en nog wel 'met reuzen lichtbeelden'.

IJmuiden grijpt z’n kans en vindt een eigen held in Henri Slegtkamp, de avontuurlijke zoon van Waterstaat-opzichter Slegtkamp, die in 1895 naar Zuid-Afrika vertrok. Pas tweeëntwintig jaar is hij, wanneer hij zich - op zoek naar avontuur - als huurling aan de zijde van de Boeren schaart. Hij neemt deel aan oorlogen tegen verscheidene zwarte stammen. Zo raakt hij ook betrokken bij de zogenoemde Jameson-raid, de inval die de Britse commandant Jameson in 1896 doet met de British South Africa Company in Transvaal, maar die door alert optreden van de Boeren mislukt. In 1898 helpt hij mee om de Buna-opstand te onderdrukken. De jonge Slegtkamp gedraagt zich heldhaftig in de gevechten die Transvaal en Oranje Vrystaat leveren tegen de Engelse overheerser. De vermetele IJmuidense avonturier schopt het al gauw tot kapitein. Onverschrokken toont hij zich in de slag om de strategische berg Spionkop (Spioenkop in het Zuid-Afrikaans) op 24 januari 1900. Het is Henri Slegtkamp zelf die triomfantelijk de Zuid-Afrikaanse vlag op de Spionkop plant als teken van de overwinning. Dat bezorgt hem de geuzennaam Held van Spionkop. ­Slegtkamps andere bijnaam is Kapitein Treinvernieler, want hij heeft zich ontwikkeld tot een waar bomexpert, of zoals de Zuid-Afrikaners het zeggen 'plofstofdeskundige'. Menigmaal moeten de Britse treinen het door zijn toedoen bezuren.

Een glorieuze intocht wordt Slegtkamp in IJmuiden bereid, als hij daar op 5 augustus 1902 terugkeert in de ouderlijke woning, bij het semafoor. Zwart van de mensen ziet het bij de Bik en Arnoldkade, als hij uit de trein stapt.

'Na de ontvangst van de Duitschen Keizer heeft men hier niet meer zoo'n buitengewoon groote menigte bij elkander gezien, als dinsdagavond half zeven samengestroomd was om den Held van Spioenkop een feestelijke ontvangst te bereiden', zo schrijft Haarlem's Dagblad op 6 augustus 1902. Zodra Slegtkamp op het perron staat is er een welkomstlied op muziek van de vermaarde plaatselijke componist Sam Vlessing. Al in het eerste couplet klinkt de trots van de IJmuidenaren op:

Wees welkom onze groet o held,
Gij Hollandsch dapp'ren zoon;
Gij tartte fier het wreedst geweld.
Ontvang ons dank als loon.
Op U is heel IJmuiden trotsch.
Trotsch op uw heldenmoed;
Gij die steeds stand hield als een rots,
en veil had goed en bloed.


06 NZklein.jpg

Het is de Dames Zangvereniging 'Euterpe', die het uit haar zoete kelen fraai doet opklinken. Nu heeft IJmuiden z'n eigen held! Groot feest wordt het, kosten noch moeite zijn gespaard. Terwijl hij uitbundig door de mensenmassa wordt toegejuicht, stapt de held in een versierde landauer die met vier paarden bespannen is. Rechtop staat hij daar in dat open rijtuig, gekleed in het kostuum dat hij liet maken van de wollen deken die hij een Engelse officier had ontnomen. Daar overheen heeft hij een stuk pantervel gedrapeerd. Behalve de landauer, waarin Henri Slegtkamp samen met zijn ouders zit, rijden er nog acht andere rijtuigen met leden van de feestcommissie en hoogwaardigheidsbekleders mee. In een van die koetsen zitten ook de vier belangrijkste strijdmakkers van Slegtkamp, de Amerikanen Jack Mc Ardle, Mick Davey, Allan Barron en Harry Smith. Stomverbaasd zijn ze over deze grootscheepse ontvangst. Fanfare Concordia opent de stoet. Aan die geweldige optocht wordt ook deelgenomen door het IJmuidens Mannenkoor, de fanfare Euterpe, de Christelijke Zangvereniging van IJmuiden en de fanfarekorpsen van Beverwijk, Jan Gijzenvaart en door fanfare De Eendracht uit Velsen. Opzien baren ook de handboogschutters van Santpoort. Feestelijk trekt de stoet door de straten van IJmuiden. Overal langs de weg en uit de ramen van de huizen klinkt spontaan gejuich. Bij de ouderlijke woning van Slegtkamp wacht hem weer een huldebetoon van het dameskoor Euterpe, dat een tweede welkomstlied zingt. Namens de burgers van IJmuiden krijgt onze Held daar een gouden remontoir horloge met ketting aangeboden. Zichtbaar aangedaan opent hij het deksel. Dan leest hij de inscriptie en de verslaggever van Haarlem's Dagblad schrijft in zijn krant van 7 augustus 1902: 'Door aandoening overstelpt, schoten de tranen hem in de oogen en moest hij enige oogenblikken rust nemen, alvorens men hem de oorkonde bij het geschenk behoorende, kon aanbieden.'

Maar het is zeker niet alleen de IJmuidense bevolking die Henri Slegtkamp tot held bombardeert; ook Zuid-Afrika zelf beschouwt hem als een legendarische figuur uit de Tweede Vrijheidsoorlog. In 1945 verschijnt daar het boek ‘Slegtkamp en de Spioenkop’. Rusteloos als hij is, gaat de IJmuidenaar na zijn eerbetoon weer naar Zuid-Afrika terug. Nog menig robbertje heeft hij gevochten. In 1952 overlijdt hij in het Zuid-Afrikaanse Middelburg, 77 jaar oud.

Steeds verder ontwikkelt IJmuiden zich tot een stadje aan zee. Visserij en scheepvaart nemen almaar toe en de activiteiten in de haven groeien mee. Drie of zelfs vier ploegen van vletterlieden, de mannen die de schepen de haven in begeleiden en assisteren bij het afmeren, zijn er nu. De concurrentie is zo niet moordend, dan toch wel stevig. De Gouden Ploeg verdient het meeste geld. Die mannen hebben contracten met onder meer de KNSM en de Maatschappij Nederland en dat betekent vaste inkomsten. Directe concurrent is de Koperen Ploeg en de naam zegt het al: koper, een metaal dat je flink moet poetsen, wil het blijven glimmen. Daar moet harder worden aangepoot, dus slimmigheid is geboden. Rond 1900 komt daar nog de Vischploeg bij, opgericht door Dolf van der Wint. Twee sleepboten brengt hij in de vaart, de IJmuiden en de Vischploeg. Eigenlijk is het een slepersbedrijf, maar het één sluit het ander niet uit. In die eerste jaren van de twintigste eeuw zitten er bij die Vischploeg krachtdadige jongens met wie je rekening moet houden. Nauwlettend houdt de concurrentie de bewegingen van de schippers van de IJmuiden en Vischploeg in de gaten. Immers, één moment van onoplettendheid, en zo'n sleper is er vandoor, op weg naar winst.

Tot bij het Engelse Kanaal in het zuiden en tot vlakbij Denemarken in het noorden wagen de betrekkelijk kleine schepen van de vletterlieden zich om als eerste hun diensten aan de schepen aan te bieden. Vooral de slepers van de Vischploeg kunnen wat riskeren, met hun robuuste scheepjes. Zo gebeurt het ook op zaterdag 15 maart in 1913. Als zo dikwijls slentert kapitein Jan van der Wiele - 'Nannie' onder het scheepsvolk - in de avonduren na het eten nog wat langs de haven, waar altijd wel wat bedrijvigheid is. Niets bijzonders. Daar komt hij z'n machinist Rinus Peters tegen. Als ze even staan te praten zien ze daar ook Teeuw van der Put. Ze gaan aan boord van de sleepboot IJmuiden. Opeens maakt de sleper los en stoomt met een kordaat gangetje de haven uit naar zee. Aan boord zijn ook runner Jan Kaptein en vletterman Boonekamp. Nee, toeval kan dat niet geweest zijn.

Direct buiten de haven, nog tussen de pieren, zet Nannie van der Wiele de vaart erin en gaat het op volle kracht. Eenmaal buiten koerst de IJmuiden direct zuid-zuidwest. Die tocht brengt de bemanning in contact met het graanschip Eastwell, van de Britse rederij Tyzack en Brant uit Newcastle. Een schip van 3115 netto reg. ton met een lading aan boord van 7400 ton, onder meer tachtigduizend balen rijst. Een nog nieuw schip, dat pas een jaar geleden van stapel is gelopen.

Toch is de Eastwell niet het doel, als de IJmuiden zuidwaarts stoomt. Van der Wiele weet dan nog niets van de komst van het graanschip, dat aanvankelijk een andere bestemming dan IJmuiden heeft. Zijn doel is een heel ander vrachtschip, maar het lot wil dat hij tegen tien uur 's avonds ter hoogte van Scheveningen opeens die Eastwell in zicht krijgt. Geaarzeld wordt er niet: Van der Wiele biedt zijn diensten aan. De wind is dan gaan aanwakkeren tot een stevige zuidwester storm, maar toch lukt het om de IJmuiden langszij de Eastwell te brengen.

Boonekamp en Kaptein zijn voor geen kleintje vervaard. Ondanks de hoge zeeën springen de runner en de vletterman over op het vrachtschip. De Engelse kapitein Scurr aanvaardt het aanbod en samen stomen de schepen op IJmuiden aan. Om half één 's nachts liggen ze daar voor de kust. Kapitein Scurr, met aan boord ook de Nederlandse loods K. Smit, besluit op ongeveer een halve mijl bezuiden de gasboei te ankeren. Hij durft het met die ruwe wind niet aan om de haven 's nachts binnen te lopen en hoopt op rustiger weer in de vroege ochtend. Besloten wordt omstreeks vijf uur het anker weer te lichten. De IJmuiden laat het anker binnen de pieren zakken, zodat de sleper 's ochtends op tijd gereed is om de Eastwell assistentie te verlenen. Maar zo kan Nannie van der Wiele ook de concurrent in de gaten houden. Met Scurr is afgesproken dat twee sleepboten hem in de vroege ochtend zullen begeleiden. Daarom is nu ook de Vischploeg er alvast bijgekomen. Het wordt een woelige nacht met al die deining, maar de mannen aan boord zijn wel wat gewend. Tegen zes uur in de ochtend stomen de IJmuiden en de Vischploeg de Eastwell tegemoet. Een hoge zee staat er, opgezweept door een vliegende storm uit het west-zuidwesten. Wat gaat die Eastwell te keer! De zeeën worden zo wild opgejaagd, dat ze aan beide zijden van het hoge schip schuimend overslaan. Bovendien loopt er een krachtige dwarse stroming. ,,Dat ziet er bar uit jongens’’, schreeuwt Van der Wiele. Met z'n stem komt hij nauwelijks boven het geraas van de zee uit. Maar de stemming is vastberaden; ze zullen de mannen van de Gouden- en de Koperen ploeg eens laten zien wat ze waard zijn! Voorlopig vaart de Eastwell nu op eigen kracht richting IJmuiden, op korte afstand gevolgd door de slepers.

Dan ziet Nannie van der Wiele gebeuren waar hij al bang voor was. De Britse vrachtvaarder nadert de kust en tracht de lichten van de twee vuurtorens in één zichtlijn te houden, om zo veilig tussen de pieren te komen. Maar de krachten van de elementen zijn al te groot. De storm, de hoge zeeën en de zware vloed drijven het schip in rap tempo zodanig uit de koers, dat het snel naar de noordpier wordt gezet. Ontzet en machteloos zien de mannen op de slepers wat er gebeurt. Het lijkt erop of de stuurman van de Eastwell het schip nog wil keren, maar het is al te laat. Het stoomvrachtschip is nauwelijks meer bestuurbaar en in luttele seconden nadert het de noordpier. Het dreigt met volle kracht midscheeps op de reusachtige betonblokken te lopen. De Eastwell lijkt reddeloos verloren.

De hele bemanning is inmiddels aan dek verschenen, zo'n vijfentwintig man op het voordek, de overigen op het middenschip. Verbijsterd staan ze daar; driftig wordt er heen en weer gelopen. Dan slaat het noodlot in zijn volle omvang toe. Opeens is er een hevige stoot, gevolgd door een angstwekkend gekraak. Met grote kracht schiet een enorme kolom stoom de schoorsteen uit. Een gevolg van het water dat de machinekamer binnenstroomt. De Eastwell is dwars wegdrijvend op de enorme blokken van de noordpier gestoten en lijdt schipbreuk op de kracht van de woedende elementen. Nu is het vrachtschip echt verloren; de bemanning ziet de dood voor ogen. Hoe lang zal het opengereten schip nog drijven? Een half uur, misschien een uur... Nannie van der Wiele en z'n mannen zien de scheepsramp met verbijstering en ongeloof gebeuren. Maar de schipper van de IJmuiden houdt het hoofd koel.

 Zijn sleper heeft een krachtige motor en ligt vol op stoom. Van der Wiele aarzelt geen moment. Aan het gevaar dat hem hetzelfde lot kan overkomen, denkt hij niet. Aan boord van de Eastwell verkeren zo'n tachtig mensen in doodsnood, die moeten gered worden. Snel overziet hij de situatie. Zelf heeft Van der Wiele het roer genomen en met ware doodsverachting wordt aan het reddingswerk begonnen. Met de achterzijde van z'n schip weet de sleepbootschipper de bakboordsteven van de Eastwell te naderen. Heel wat stuurmanskunst is daar voor nodig, want telkens opnieuw wordt hij door de grondzeeën terug geslingerd. Toch weten ze met hulp van de stuurman, de runner en de vletterman de eerste schipbreukelingen van de Eastwell te halen. Sommigen bereiken de sleper springend. Onder hen is ook het oudste dochtertje van de kapitein, dat door de mannen van de IJmuiden behendig wordt opgevangen.

Maar er zijn nog veel meer mensen aan boord. Razendsnel schat Van der Wiele de situatie in. Nee, aan de buitenkant aan bakboord van het schip kan hij beter niet meer komen; het gevaar dat hij daar tegen de Eastwell te pletter slaat is te groot. Dan maar het schier onmogelijke: met bovenmenselijke inspanning weet hij zijn schip tussen het vrachtschip en de noordpier te manoeuvreren. Veel ruimte heeft hij niet - weinig meer dan vijfentwintig meter. Maar hoewel er ook hier hoge golven staan, blijkt het water door de luwte van het gestrande schip wat minder ruw dan aan de buitenkant. Haast is geboden, maar ook rust en kalmte. Tussen en naast de betonblokken probeert Van der Wiele het nu al zinkende schip midscheeps aan stuurboord te bereiken. Zo wil hij daar ook de rest van de opvarenden, die het voorschip niet meer konden bereiken, redden. Echt een verbinding maken met de Eastwell mislukt en meer dan twintig keer wordt de IJmuiden door de toch nog huizenhoge golven teruggeslagen.

Het is een gevaarlijk karwei. Vele malen probeert de IJmuiden het met ronkende motor opnieuw en elke keer kunnen twee, drie of vier schipbreukelingen worden gered. Inmiddels heeft tussen de pieren ook de sleepboot Cycloop de ramp ontdekt. Die vaart naar IJmuiden om een reddingsvlet te bemannen. Onmiddellijk klimmen acht mannen aan boord om zich naar het zinkende schip te spoeden. Als ze daar aankomen, zijn juist de laatste opvarenden van de zo onfortuinlijke Eastwell gered. Niemand is gewond, behalve de loods die zijn enkel breekt als hij vanaf het vrachtschip op het achterdek van de IJmuiden springt. Ook de sleepboot Vischploeg is stand by gebleven. Voor twee slepers is er tussen pier en zinkend schip geen ruimte, maar de bemanning van de Vischploeg kan menig drenkeling uit zee aan boord hijsen. Alle opvarenden zijn gered.

Later spoelt er van alles uit de Eastwell aan op het strand van IJmuiden, zoals gebroken meubelen, beddengoed, kisten en tonnen. Tussen dat alles ook het kadaver van de scheepshond. De kop van het arme dier is tegen de blokken van de pier verbrijzeld. Hoeveel mensen er nou precies zijn gered, op die zonnige, maar stormachtige Palmzondag van de 16de maart in 1913, zal nooit precies duidelijk worden. De een spreekt van 75, een ander van 86 en ook in het Haarlem's Dagblad van 17 maart 1913 worden getallen genoemd die elkaar tegenspreken. Maar wat wél zeker is: met Nannie van der Wiele en zijn mannen van staal heeft IJmuiden er op dat moment heel wat helden bij.

In hotel Nommer Eén worden de redders later groots gehuldigd en opnieuw markeert een gouden horloge het respect voor getoonde dapperheid; alle bemanningsleden ontvangen er een. Maar het innerlijk gevoel van Nannie van der Wiele en zijn mannen is niet in goud uit te drukken.

Daadkracht en onverschrokkenheid, zij behoren tot de geheimen van IJmuiden. Als het een zelfstandige gemeente was en een eigen wapen mocht voeren, dan zou dát het motto kunnen zijn.

Bron: IJmuidercourant
Tekening: Fiel van der Veen
Tekst: Ko van Leeuwen